Ik kan hier eeuwig blijven hangen tussen de regen. Kijken naar de man op de golven, mijn voeten eindeloos ver in het lege strand. (Druppels tikken op het blauw van mijn kruin.)
Hij glijdt, springt, vliegt, wuift een hand naar mij. Ik zal vannacht zijn bed naar het midden van de kamer schuiven, en daarin zal hij liggen tollen (in mijn hoofd wat verderop).
We zagen hoe er werd gedanst, gedronken, gelachen – ik nam nooit deel, was een gezicht achter het water met een vis in het oog. En iemand stond nog uren op mijn tenen.
Een mama kwam naar me toe en zei: hier zit je droog.