Daar waar we amper kunnen staan

Thursday, June 05, 2008

Ik droomde je op de grond, adamsappel slikkend tegen koele tegels. (Onder oogleden het slome beven van angst. Hoe ver was je verdwaald onder mijn groene ribfluweel?)
Je huilde nog in je schoen toen je vertrok (ik wist niet waar ik je had geslagen - mijn vingers hadden enkel je rug omkneld), gaf de drenkeling je laatste hand.

Ze hebben alle liggers opgesloten, de tapijten opgerold. (Ons weggedweild.)
Hoe zouden wij vergeten? Hoe ècht jij was.

Friday, May 23, 2008

Haar rode schoenen vol tenen in afwijzing (een hint naar vroegere jaren), en ergens daarboven een uitgestoken hand die ik niet begrijp. Ze gaat de gang tot stilte dwingen, daar leunt een trap naar ons toe. Blauwe deuren kreunen in de muur, en zij vraagt: waarom ben je hier?
(Iemand maakte me kaal - ik weet niet hoe het gebeurde, en de vorm van mijn hoofd stond me niet aan.)
Hoe gaan we jou noemen? En waar halen we een mama vandaan?

Red shoes

Friday, April 25, 2008

Ik kan hier eeuwig blijven hangen tussen de regen. Kijken naar de man op de golven, mijn voeten eindeloos ver in het lege strand. (Druppels tikken op het blauw van mijn kruin.)
Hij glijdt, springt, vliegt, wuift een hand naar mij. Ik zal vannacht zijn bed naar het midden van de kamer schuiven, en daarin zal hij liggen tollen (in mijn hoofd wat verderop).
We zagen hoe er werd gedanst, gedronken, gelachen – ik nam nooit deel, was een gezicht achter het water met een vis in het oog. En iemand stond nog uren op mijn tenen.
Een mama kwam naar me toe en zei: hier zit je droog.

Wednesday, April 09, 2008

Friday, February 01, 2008

Thursday, January 17, 2008

Ik heb het ons gezegd: dat je nog steeds voor me voelt. (Maar eigenlijk toont dat hoe ik me verberg. In je gedachten.)
Ik wil niet meer denken (heb er de schaar in gezet) aan Ferlin's kussentjes die de stilte domineerden, de loper uitgerold op het perron, je zwartheid, de vergeten fanfare. Hoe je koffie schonk uit al dat blinkends - de cakejes die ik verzamelde in mijn keel om niet te hoeven spreken. De slaap die aan je enkel trok toen ik je voorlas. Of hoe ik je liet schrikken en adem je voorgoed verliet.
Maar toch. Je wrap van dekens rond zoveel naaktheid en koele groene prik. De knip tussen mijn benen. En jij - uiteindelijk, altijd - in alle andere kamers, maar ik was dààr. (En daar was het zo moeilijk staan.)

Thursday, January 10, 2008

Je zat mooi en vol glitters, verdrinkend in een sjaal, op me te wachten. Daar aan de voeten van de kille stenen man. Bleek en vol ogen, zoals je altijd bent. (Lokkend naar het hart.)
Ik lag te beven in de stad, met rijm op al mijn jaren. Het gekraak van die éne nacht. (Je had aan mij je longen vol.)
Wij slopen door mekaar, een zucht door onze monden. Witte adem en later in je huisgeworden kamer viel alles van je af.


My name

Friday, December 28, 2007

Of hoe het koudwarme lichaam slaapt.

(Het was een dag waarop ik overal tussendoor viel.)

Thursday, December 13, 2007

Er was daar een J. die schreef op handgeschept papier. En over mijn schouders, van links naar rechts tot bij de elleboog. Een archiefjongen. Opsteller van spookverhalen.
Hij kleedde poppen uit. Streelde hun bleke halzen.
Er is daar in dat huis iets dat tot aan de hemel reikt. Hij nam me er nooit voorbij.
Ik moet het nog hebben over je post scriptum missen. Over die vingers van je waar alles doorheen glipt. Hoe veilig je je waant nu ik niet meer kom bedelen.
Vergeet niet dat grote jongens met kleine voeten wankelen.

Thursday, November 29, 2007

Fluister ze in mijn oor dan. (Toe.)
Je was altijd al een kind van hout. Van es.
Van niet helemaal weten hoe. (Met schelpen, te groot voor je hand.)
- Ik blijf maar over je struikelen. -
Uitglijden over het ijs op je vloer.

In het papieren tasje dat je me meegaf toen: een kassaticket voor de aankoop van vier washandjes in auberginekleur.

Incurable